Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Wim Brands


Recensie over de bundel

Neem me mee, zei de hond

Wim Brands

geschreven door
Wil Fraikin

 


Brands’ derde dichtbundel bestaat uit vier afdelingen met in totaal 46 gedichten. Voor mij behelzen de meeste gedichten ideeën over een zekere ‘ontheemdheid’: de cover met een soort van stratenstramien, met veel rechthoeken (Amerikaans?), zou hiervoor het intro kunnen wezen.

Het is een sympathieke bundel. Staan er mooie gedichten in? Zeer zeker. Staan er mindere in: ook dat, de gedichten zijn zeer wisselend van kwaliteit: zeker meer als tien gedichten hadden m.i. weggelaten kunnen worden, dan kwam de rest meer naar boven.
Inhoudelijk ademen alle gedichten een bijna Messiaanse bezorgdheid om de mens in zijn conditie, maar sympathie met de verschoppelingen der aarde hoeft nog geen garantie voor goede poëzie te zijn. Ontheemdheid baart perseptuele gefragmenteerdheid tot de dood er op volgt. Er komt veel dood voor in deze bundel. Weest welkom argeloze lezers!
Inhoudelijk en ook als vorm dicht hier een radio- en televisiemaker. De poëzie komt er m.i. eerder naar voren als een liefhebberij naast het beroep en niet als een persoonlijke roeping gegoten in een taalformeel persoonlijk probleem.

De mooie, suggestieve titel slaat op een aantal gedichten in de bundel. Brands is erg goed in de suggestie. Suggestie kan niet zonder gefragmenteerdheid: de lezer mag gaan associëren wie of wat die hond nu is. Een huisdier (trouw zegt men, gedomestificeerd, afhankelijk van ons voedsel?) waar wij allen van houden, of de zwerverwolf in de dichter of Cerberus? Goede dichters geven goede suggesties, bij mindere is het gedicht an sich alleen maar suggestie, en dat is mijn wezenlijke bezwaar tegen veel gedichten in deze bundel, ondanks dat er een paar hele mooie in staan (ik zeg met opzet geen ‘goede’).

Er zijn vier afdelingen in de bundel: de bundel begint met 20 titelloze gedichten die tesamen één verhaal proberen te vertellen. In vorm verschillen ze nogal: het openingsgedichtje is als een motto, dat later weer in enkele zinnen, dan uitgebreider terugkomt.
“ik vertel verhalenover alle sleutels.” Pag. 5. Maar ik vond géén sleutels, slechts verslaggeverspoëzie. Er komt iets oudtestamentisch voorbij, vaak een hond, veel suggestie over dit wezen alsof deze hond Cerberus is die dat heen-en-weer-gereis zat werd. Dan is er een haiku-achtig gedicht, korte verhaaltjes, iets Faverey-achtigs over een kunstschilder en een beeldenmaker en enkele “In Memoriams”. Binnen deze afdeling is er géén consistentie in inhoud en vorm, wel in eclectische dictie. Het blijft een vreemde lappendeken van geschrijf, waarbij mij opvalt hoe bedacht er impressies opgebouwd worden.
Dan is er een afdeling “Open stad”: die negen notities over zielige personen bevat. Vaak zijn het korte aantekeningen over de triestheid van specima van het menselijke geslacht. Beetje een kruising tussen het Humanistisch Verbond en Groen Links. Dit is absoluut politiek correcte poëzie maar absoluut niet poëtisch correcte poëzie! Ik ruik als het ware VPRO en dan word ik super alert.

“Soms pakt ze de telefoon om te controleren
of er nog een kiestoon is – er valt
niet veel te kiezen – “


pag. 33. (uit: “De bejaarde vrouw”).

Dit is toch origineel lief van de dichter? Maatschappelijk engagement omdat je ook poëzie wilt schrijven? Deze poëzie vind ik bloedeng: het is niet sentimenteel, het is als ideetje gevoelvol. Vanuit ontheemdheid fragmentarisch suggereren dat ellende het waard is dat er woordkunst over gemaakt wordt. Dit is een linkse hobby. Brands speelt mensen in de kaart die willen bezuinigen op geconstrueerde gevoelige traanbundels zoals dit.

De dichter Brands kent niet alle dichters maar enkele die hij duidelijk schatplichtig is: Hans Faverey, beetje Schierbeek en nog al wat anderen die ik steeds tegenkwam bij een of andere vergelijking. Behalve honden komen ook vaak engelen voor. Aarde en hemel: dat is nog eens een origineel duo!
Na “Open Stad” volgen er 11 gedichten welke als totaal een ratjetoe zijn, waarna “Dood, de afwezige” nog zes gedichten bevat: pure zieligheid in wisselende kwaliteit.

4

“Een schedel bezet
met diamanten;

een kat die na
haar dood

wordt verlaten
door de vlooien.“

Pag. 51. Excuus: pagina [51]. Even écht anders!
M.i. zitten dichters (verslaggevers) die de actualiteit gebruiken, verlegen om stof om te dichten.

Tenslotte: opnieuw vraag ik mij af waar deze uitgeverij mee bezig is. De bundel rammelt qua dichtvormen (gedichten, haiku-achtige stellingen, verhaaltjes, documentair geschrijf en aforismen) en qua inhoud: net een masterclass gedaan over “Hoe schrijf ik poëzie”.
Dienders hadden tot voor kort een quotum te halen aan uitgeschreven bonnen. Zou dit mechanisme ook voor poëzie-uitgevers gelden?


ISBN 9789046808078 Paperback 56 pagina's | Nieuw Amsterdam | september 2010

© Wil Fraikin, 21  december 2010

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER