Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Atze van Wieren
 
Atze van Wieren

Recensie over de bundel "Grondstof"

geschreven door Iris Van de Casteele
 
 
 

ATZE VAN WIEREN: GRONDSTOF 

Tien jaar is het geleden dat ik voor het eerst een cyclus vadergedichten van Atze van Wieren las. Ik was getroffen en dacht: hier gaat het om aangeboren talent; om eerlijk en ongekunsteld dichterschap. Dezelfde gedichten vond ik terug in ‘GRONDSTOF’, de onlangs verschenen dichtbundel van deze buitenwoon begaafde Friese dichter.
In één van zijn recensies schrijft hij “Wat een genot weer eens een bundel onder ogen te krijgen met poëzie van vlees en bloed in plaats van het uitgebeende, hermetisch geneuzel van veel hedendaagse dichters.” (Over Taalwaterval van Mark van Tongele). Diezelfde woorden mogen zonder meer toegepast worden op zijn eigen bundel bestaande uit 4 cycli.


1. OP DE RAND. DE MOEDER. DE VADER.

Lees hoe subliem Atze de geboorte van de in wording zijnde dichter vertaalt:

Op de rand 
                                  
 

Hij heeft zich amper ontdaan
van al wat aan hem kleefde.
Het ei dat hem baarde
bleek barstensvol geheimen:
restanten vroege vogelliefde,
beperkt houdbare leeftocht,
blauwdruk hoe te vliegen,
aanwijzingen voor de jacht.
Voor een vogel in wording te veel
en moeilijk te behappen

Herinnert zich beter vertrouwde
nabijheid later van gulzige lijven
en het donsdek van de moeder
als het donker werd en koud.

Op de smalle rand van het nest
als hij alleen en dat alles vergeten.
De hemel te hel voor de ogen,
de diepte te donker,
hij balanceert.

In De moeder wijdt Atze van Wieren aandacht aan zijn moeder. Wellicht is zij het tegenbeeld van de stugge vader. Zij zou zoveel willen zeggen. Ofschoon men begrip vindt bij één van de ouders blijft de onrust knagen. Deze is anders. Jawel, een dichter in hart en nieren is anders, al van bij de geboorte; hij is zoeker en ziener tegelijk.

De moeder

Zij kent haar pappenheimers
die eenmaal onder haar vandaan
doldwaas duikelend vallen,
hun vleugels ontdekken,
ze strekken.

Deze is anders.

Hoe hij al met veel te trage klop
zijn pantser brak,
hoe hij als met tegenzin
zijn snavel door het vlies heen stak,
hoe opsprong in zijn oog
de schrik van wat te wachten stond.

Zij zou zoveel willen zeggen,
dat wis en waar de wind
hem hemelhoog wil dragen,
dat misschien zijn zingen zachter
maar daarom niet minder zuiver is,
dat hem een ander wacht.

Dat alles zou ze willen zeggen.

Terwijl ik de cyclus vaderverzen (er zijn er 5) herlas, grepen ze mij opnieuw sterk aan. Ik ervaar ze als schrijnend. Hoeveel trauma daarin verwerkt zit is moeilijk te achterhalen.


Mest


Mijn vader heeft mij uitgereden
met paarden in een zware gang.
Ik lig ontdaan van mijn bestaan
in duizend stukken uit elkaar.

Ik wacht op warmte, zachte regen,
opdat ik na verloop van tijd
ontkiem en mij bijeen zal rapen
om uit de dood weer op te staan.


Trui

..../
Ik denk aan zoveel dingen,
aan hoe het vroeger was,
de boerderij, het stil verval,
aan vieze overalls vol kringen,
zijn stugge zwijgen bovenal.

Maar dat ik blij ben hem te zien,
zó blij ben hem te zien sindsdien
in deze warme knuffeltrui
dat ik - niets liever, o niets liever -
mijn armen om hem heen wil slaan.
…/…

De stugge vader/boer die verwacht dat zijn zoon boer zal worden, en de zoon die zijn heil in intellectuele arbeid ziet. De ontgoocheling is groot. Er ontstaan spanningen. Langs de poëzie om zullen ze - lang na de dood van de vader - afgezwakt worden en verdwijnen. Ze maken plaats voor de (onuitgesproken) liefde die er tussen vader en zoon altijd geweest is. (lees Terra incognita’): “Weet dat je ver bent, vader, / in een ander land bent. / Soms spiegelt mijn gelaat in ’t glas, / dan, even, lig je voor mij open, / ben je dichterbij dan ooit.”. Kan iemand dichter bij zijn vader komen nadat hij is gegaan? Mij lijkt het alsof Atze zijn arm om de schouders van zijn vader legt en zegt: het is goed, vader, het is voorbij, het is doorstaan.

 

2. RAFFINAGE
De voltallige cyclus ‘Raffinage’ kan beschouwd worden als een epos; als een grote ode aan de heldhaftige suikerbiet. De suikerbiet die op het veld opgeladen wordt om op volgeladen wagens te vertrekken naar de suikerfabriek om daar /…in de bietengor / te wachten op wat komen gaat./ De reis was rommelig en ruw, / nog zeurt het in mij na/ hoe om mij heen gefluisterd werd/ wat ons te wachten staat./.
Het verwerken van de biet is een adembenemend schouwspel.
Weet de reiziger die bij avond/ waarvan de pijp rookt,/ waarom stoom sist/ en alle lichten branden?/…Heeft hij weet van het washuis,/ het gebonkel in kolkende achtbaan,/ het gezever in trommels, / van pijn in snijmolens,/ gestook van broeitroggen/ en o, o, de hoogtevrees/ - hou me vast  -/ in duistere diffusietorens?/… Kent hij de pesterijen/ van de diksapbufferbak?/
Wat weet de reiziger/ van huiveringen/ als koude hoofdkalking/ moet worden doorstaan,/als verborgen gebreken –/.

Om tot op de bodem van deze poëzie te kunnen doordringen moet men de suikerbiet als personificatie van de gekneusde mens zien. Tevens is ‘Raffinage’ een existentieel tafereel van uiterste nood. Welke getormenteerde mens zal er zichzelf niet in herkennen? 

 Te hoop

 Wij zijn te hoop gegooid,
 wij liggen bleek en bloot
 en onmiskenbaar dood
 langs smalle, stille wegen.

 Van wortels afgesneden,
 het loof dat leven was
 en stem van wind en regen
 is op de akkers stom gebleven.

 Wij zijn gerooid en afgelegd
 en nagekeken op gebreken.
 De grond die onze moeder was
 is dood gewicht gebleken.

 Wij liggen op een bietenvaalt,
 nog wel bijeen maar zonder hoop.
 Wij wachten op de dichte wagens,
 met dichte wagens worden wij gehaald.

3. BIJPRODUKT

Na dit aangrijpend gedicht, dat volmaakt is in zijn zeggingskracht, is er het Bijprodukt. Daarin gaat het om gedichten die geschreven werden bij beelden van o.m. ‘De Fietsles’ van Kees Verkade, 'Maria, altijd durende bijstand' van JanMurk de Vries, `Lappenpop' van Jopie Huisman, 'Het Veulen' en 'Landbouw en Veeteelt'  van Wladimir de Vries , 'Onverwacht' van Ilja Repin, ‘On Tour’, muzikanten op reis, van Afifa Aleiby, en ‘Elegie’, een ouder, elkaar omarmend paar, van Tjikkie Kreuger.

In elk van deze greep fraaie gedichten gaat het opnieuw om wat binnenin de dichter aan het gisten is. Nachtmerrie is een gedicht dat me niet loslaat, en me hoe dan ook vreemd ontroert. Hoe het veulen van de schilderij aanzet tot inspiratie is verbluffend, en tegelijk weet Atze in weinig woorden zijn moeder voor de geest te halen. Alsof de dode hem zal vertellen waar ze gebleven is: Straks zal ik wakker worden/ en komt mijn gang tot leven,/ misschien dat ik dan weer weet/ waar moeder is gebleven. In De Fietsles valt er dan zelfs enige ironie te bespeuren. Zichzelf in vraag stellen is hem niet vreemd. Atze van Wieren weet precies waaraan hij toe is in deze opgezwollen wereld van literaire hoogmoed en ellebogenwerk.

4. RESIDU
Om te eindigen nog onderstaand gedicht uit de vierde cyclus waarin niet minder dan 23 gedichten. Wat blijft er over na een creatief leven waarin genereus méér gegeven dan gekregen?! De lezer mag de vraag beantwoorden. Ik vond ze verpakt in:

Jutter

Ik had sinds lang niet meer geschreven
op elk woord zout gelegd.

Ik ben gaan lopen langs de zee
soms laat er zich iets vinden.

Dat bleek niet anders nu: flessen,
wrakhout, plastic troep en lege blikken:

Store silt udvalgt direkte,
hvor fiskene landes.

Ook wat zich vinden laat
werd mij een raadsel.

 De bundel GRONDSTOF bevat oersterke, eerlijke poëzie. Hoe tragisch sommige verzen ook mogen wezen, nooit komen ze deerniswekkend over, ontstaan als ze zijn vanuit diepe emoties de pijn overstijgend. Atze van Wieren heeft deze bundel met doorzicht en intelligentie weten op te bouwen. De prachtige Friese taal steekt hier en daar de kop op; ze doet denken aan onze eigen Vlaamse taal. Het kale, bedrieglijke, nietszeggende van het hypermoderne ‘dichtkunst’ vind er geen toegang. Vooral in de verwerking van de suikerbiet komt de Friese ziel in al haar zuiverheid en zeggingskracht boven drijven. Welke ware dichter of poëzieliefhebber zou zich niet graag als zielsgenoot van deze ongemeen talentvolle dichter beschouwen? Hij hoeft met niemand vergeleken te worden, zijn dichterschap is uniek en volwassen.

Iris Van de Casteele, januari 2009

Atze van Wieren: Grondstof
Uitgever: IJzer, Nederland
ISBN: 9789086840236, Jaar: 2008
64 pag.
Te bestellen bij de uitgever

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER