Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Karel Wasch
poezie


Recensie over de bundel

Alsof er iets van mij overbleef

Karel Wasch

geschreven door
Iris Van de Casteele

 


Er wordt wel eens beweerd dat de poëzie een goddelijke essentie is. Wat met zekerheid kan gesteld worden is dat ze hoort tot de hogere sferen van het kosmisch gebeuren.

De gedichten uit de bundel ‘Alsof er iets van mij overbleef’ van Karel Wasch, kunnen, naar mijn gevoel althans, niet treffender omschreven worden als zijnde puzzelstukjes horende bij het enorme legbord dat we als oerbegin zouden kunnen betitelen, en dat langs deze weg onder onze aandacht wordt gebracht. De dichter neemt daarbij zijn toevlucht tot bijzonder fraaie metaforen die zich aandienen in een lyrische en subtiele beeldspraak.

Ware dichters zijn profeten, zieners, ingewijden. Ze zien veel verder dan de tijd waarin ze leven. Dit ‘zien’ is een niet achterhaalbaar ‘weten’. Daarom blijven ze als mens vaak en veelvuldig onbegrepen. Wie met aandacht het gedicht ‘De tijd voorbij’ leest, kan niet anders dan erdoor geboeid raken en erdoor getroffen worden:

De tijd voorbij

Ik ben de tijd voorbij
en kniel vol pijn
in een gekneusde pose, laat de tijd
nu wachter zijn.

Verstild ben ik, beneveld ook wellicht
door mijn vertraagd gewicht
onthecht, maar zonder woorden.

Dan val ik diep en woordenloos
in tijd gedrongen samen
ik slaap, zo lang
de stille witte slaap
van as en sneeuw
achter de gazen voorhang.

De kinderen en vogels
zij weten , wie of wat ik ben
 - denk ik, hoop ik -
een stem
één langgerekt gezang
smaragd en duif
verraderlijke slang, lang

heb ik alles afgeweerd
of omgekeerd, toch
ben ik een stem
die ontwakend zichzelf en jou

benoemt, een naam

voorbij de tijd

’De tijd voorbij’ is één van de schoonste en meest diepgaande gedichten die ik onder ogen kreeg. Het is doordrongen van een onaards gebeuren waar we als levende schepsels medescheppers van zijn en dan weer toeschouwers. Tegelijk is het een lyrische zang die het hart en de geest optillen boven het alledaagse. Een lied dat zichzelf verder en hoger zingt om uit te monden in een beklijvende psalmodie. Hoe kan een mens zoiets pakkend en tegelijk zoiets hoog verhevens tevoorschijn toveren? Alleen wie een berg aangeboren talent bezit kan dat. Alleen als je je op het precieze moment niet verzet tegen je andere ik, dat medium is, en je opeist, om het even op welk uur, meestal van de nacht, wanneer je je ingewijde weet.

Het blijft niet bij die éne voltreffer. In het titelgedicht  Alsof er iets van me over bleef” maakt de dichter gebruik van rechtstreeks tot de lezer sprekende beelden, zoals er zijn: wind, zee, zand, een melkwit lichaam, e.a.. Op poëtische wijze brengt hij zijn gevoelens en gedachten over naar de geliefde. Tracht hij hun één-zijn te bevestigen:

Alsof er iets van me overbleef

Voor H.

vormde zich taal van overkant
uit water, zee, zelfs zand
waar raadsels heersten, hoe zeer
ik luisterde, die middag van het eerste leven
ogen en onzichtbaar ziel verraadden
de stormwind
tussen jouw melkwitte lichaam, dat geurde
naar zilt en zon en mij, nadat
je neergestreken was
op ons eeuwig aards altaar
engel
vleugels verbonden met tijd,
alsof er iets van mij overbleef.

 Wat mij nog het meest raakt in de verzen van Karel Wasch zijn de eenzaamheid en het verlangen, allebei kundig gesuggereerd, nooit uitmondend in een zielig klagen. De goede verstaander zal meteen begrijpen dat ze geworteld zitten in het besef te weten dat het grote onbereikbare niet te bereiken is, hoe hoog de ziel zich ook weet te verheffen. Daarom wordt geprobeerd de eenzaamheid en het verlangen een andere bestemming te geven, misschien zoals de Uruguyaanse dichter Carlos Sabat Ercasty zich in één van zijn verzen uitdrukte: “ik vertoonde mij aan andere muziek die niet / diegene is die ik stroom.”...

 De poëzie van de dichter Wasch stroomt. Ze is muziek. Hij wil zij het een mens of een dier bereiken waarmee hij kan communiceren. Zegt hij zelf: “De kinderen en de vogels/ zij weten, wie of wat ik ben/ - denk ik, hoop ik -.”. Eén kind heeft hij hiermee alvast weten te bereiken: het kind in mij.

Het slotgedicht is getiteld “Tegenlicht”. Opnieuw word ik bij het lezen van dit vers verplaatst in hogere sferen. De hoofdletters in Geest en Liefde had ik liever in kleine letters zien geschreven staan, zodat er vérder en dieper over nagedacht zou worden. Herleid tot hun simpelste en zuiverste vorm zouden ze even herkenbaar zijn, misschien zelfs beter en voller herkenbaar. Wijzend op een etherische voedingsbodem, tegelijk afstand doende van alle ouderwetse verwijzingen die niet meer van deze tijd zijn, zijn geest en liefde van alle tijden: 
 

 Tegenlicht

Termietenheuvels van de Geest
groeven we af, hermetisch voor de ziel
gesloten
en plukten hondsdraf
steeds blij erna,
toch verder afgegleden van
de oorsprong
het oordeel
ondeelbaar moment
de eeuwige vloedgolf van Liefde
die onze tere lichamen vulde
kalverhorens als was in onze handen
saamhorig in de zoete schijn.

Maar
waarom jij storm en steen
des aanstoots bent
is mij nooit echt goed uitgelegd
noch aangezegd
in deze stad van plexiglas, opdat
ik het begrijpen kon
of helpen
wat dan ook.

De rook waait sliertig buiten onze
woeste wil al om, gaat over
in een dichte mist, wordt uitgewist

het tegenlicht is tegenwicht
verbonden met een koperdraad
aan overdaad, waarvan de einder
schijnbaar vol en leeg en alles is.


 Het is niet voor niets dat de poëziekenner, al bij een eerste oogopslag, een ‘ingegeven’ gedicht van een ‘gemaakt’ gedicht duidelijk weet te onderscheiden, en ze elk afzonderlijk weet te interpreteren. Hier hoeft geen moment getwijfeld te worden aan het feit dat we het met een dichter toe doen hebben die we, door het hoge kwaliteitsgehalte van zijn verzen, tot de boeiendste en meest waarachtigste dichters van deze tijd mogen rekenen. Karel Wasch behoort tot de bijna uitgestorven en vaak uitgestoten minderheid van fijnzinnige dichters, van wie de verzen nooit genoeg naar waarde zullen geschat worden door de grote menigte, omdat hun poëzie veel hoger reikt dan tot waar gewone lezersogen kunnen reiken.

De dichtbundel ‘Alsof er iets van mij overbleef’ is een geschenk dat me op een goeie dag zomaar in handen viel, en waarvoor ik de hemel dankbaar ben. Er staan in totaal 15 gedichten in waarvan ik er niet één zou willen missen; zeker niet in mijn boekenkast, en vooral daar niet waar ik ze bewaard wil weten: diep binnenin mijn eigen poëtisch geaard zijn.

Iris Van de Casteele