Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Geert van Istendael

 


Recensie over de bundel

Sociale Zekerheid en andere gedichten

Geert van Istendael


geschreven door Wil Fraikin

 

 


‘Een dichter is zijn stijl’.

 

In literair Vlaanderen schijnt er een discussie geweest te zijn of poëzie nu vanuit anekdote of vanuit een postmodern taalconcept geschreven dient te worden.
Poëzie vanuit het eerste is strikt gesproken een welluidende mededeling van een kenschetsende bijzonderheid met een strakke vorm, metrumbeslag en rijmklanken. Een anekdotische dichter gaat stug voorbij aan postmoderne preoccupaties van het zichzelf bewuste brein dat weet heeft dat zijn brein slechts een verzameling geheugenitems is, dat in het verleden voordeel opleverde dus gaat hij verder in ego-ontkennend taalvormonderzoek: zelfs zo ver dat straks de paginacijfers wel eens omgekeerd gedrukt kunnen worden!
De anekdotisch schrijvende dichter beroept zich op duizenden eeuwen schrift waarin ooit in de aanvang beeld en schriftteken gelijk aan elkaar waren. De anekdotische dichter blijft een rotswandschilder die gutturaal fleemt bij het kampvuur. Terecht beroept de anekdotische dichter zich op het meedragen en verder verspreiden van het schriftelijke dus goddelijke ‘vuur’.
Ik vermoed dat een anekdotische dichter zijn zintuigen goed gebruikt, zijn egelstelling bestijgt en zichzelf blijft.

Die postmodernen zijn heel anders: in tegenstelling tot die grotgrafittischrijvers zijn zij zich bewust van dat type, zijn producten, waartoe het leidde in de geschiedenis en dat moet gestopt worden. De postmoderne dichter kent zijn klassieken: Freud (de zelf-verschraling door het streven),  Marx (bezit bepaalt het bewustzijn) om tot Lévi-Strauss te komen: de mens structureert en creëert rituelen en leeft daarvan uit: het zich nú bewust worden van een verschraald structurerend brein argwaant de moderne pijlensnijder omdat hij voelt dat er buiten hem een talige valkuil ligt: dus mogelijk een nieuwe poëzie. Er is vanuit een goedgevolg-handelingsconcept constant een breininteractie tussen het zelf (lucht-eten-zuipen-voortplanten) en percepties van de talige werkelijkheid (cultuur) en hoe dat duidelijk te maken. De postmoderne dichter blijft niets anders over dan zelfs zijn eigen taal te ondergraven middels deconstructie en Lego-opbouw.

Huidige anekdotisch dichters hebben hier weet van maar blijven ontheemd bij hun stijl. Postmoderne dichters kijken neer op die anekdoten. De postmodernen verwijten de anekdoten Icarusgedrag maar de postmodernen weten niet meer hoe de causaliteit werkt binnen het rondzingen in hun dichtende brein, enkele goeden daargelaten.
De postmoderne kan terecht verweten worden: anti-zintuiglijkheid, afbreekgeformuleer, intellectualisme, verbale brille omwille van de schranderheid, dwarsverbanden willen leggen tussen taal, betekenis, afbeelding, klank en lay-out: de anekdoot staat verdwaasd met pen en papier in een landschap dat  huidige poëzie heet.
Die hele discussie is een groot generatieconflict. Poëzie zou dit niet mogen zijn.

Het is prettig te lezen dat de eerste 9 gedichten in deze bundel een bewijs zijn van de levendheid van de anekdotische poëzie. Hierin is de dichter m.i. het sterkst.
Geert van Istendael gaat voor het dichterlijke handwerk: vanuit de anekdotische beschouwing komt hij tot een diepere wijsheid. Voorspelbaar als vorm, maar hij maakt het waar, taallenigheid, distantie, zelfverzaking en twijfelzucht. Van Istendael is soms ook zo postmodern als het maar kan zijn maar is traditioneel in de vorm.
Het motto van deze bundel is een uitspraak van Neruda: ‘Mijn lied houdt mij overeind als een rimpelige boomstam met bepaalde lidtekens.’ Enig navelgestaar is de dichter niet vreemd.
De bundel bevat 47 gedichten: de cover toont een herfstblad in de wind, door een hand vastgehouden. De bundel bevat 5 onderafdelingen:  ‘De Dingen’,  ‘Van de Europese grondwet in verzen’, ‘De dienaar van de stilte’, ‘Sociale zekerheid’ en ‘De gebruikswaarde van poëzie’. Hierna 5 pagina’s ‘Aantekeningen’.

‘De Dingen’ lezen vlot maar prachtig weg: ambachtelijk, vaak verrassend met een vereiste pointe op het eind. De dichter is zijn stijl, ook vooral in zijn eindzinnen.

‘Zijn eisen zijn eenvoudig. Stap voor stap
Zal hij zich geven. Wie niet horen wil,
Die trapt hij van zich af. De stilte na de gil.‘

( Uit ‘Ladder’ pag 13.) De dichter is een ladder. De ladder leidt tot de verbeelding.

‘Het groot verlangen dat naar verte vroeg
Heeft aan een smalle doorgang ruim genoeg.’

(Uit ‘Hekje’pag. 14.)

Het gedicht ‘Schaar’ op pag. 17 is een klassieker. ‘Vereniging brengt scheiding. Scheiding blijft.’ 

Deze ‘Dingen-gedichten’ zijn vakbekwaam geponeerd, écht postmodern traditioneel: de ‘dingen ‘ worden bezield. Gebeurde al vaker in de voorliggende poëzie. Van Istendael weet er weer een nieuwe invulling aan te geven. Met een harde waarheid op elke laatste regel.
Van Istendael begint met aandacht voor de minderen onder ons: de ladder, het hekje, de schroef van Archimedes,  de A4, de schaar, het brood, het taartrooster, het molenmes en de tralie. Het komt op mij bijna bijbels over: ‘Wat gij de minsten van mij hebt aangedaan, dat hebt gij mij aangedaan”!
Hierna komt er een afdeling lange gedichten “Van de Europese Grondwet in verzen” .
Was er in de Dingen-afdeling de suggestie dat de dichter de werking van deze voorwerpen vertegenwoordigde, in deze wat programmatische gedichten in opdracht verspeelt de dichter m.i. zijn hand: breedsprakig blijft de dichter hameren op de noodzaak van poëzie. De dichter verenigt ‘opa, de bij, de tuinman en de kok’ (scheppende beroepen, vooral ‘Opa’) in zich. Jammer dat de dichter in deze gedichten vaak opsommingen gebruikt om een tekst te dichten. In de lange gedichten sluipt er gezochtheid en voorspelbaarheid in. Als taaldier is hij sterk in het anekdotisch korte gedicht: de lange gedichten worden saai en lopen op het eind ‘weg’.

‘Hymne aan de sneeuw’ is gelukkig een uitzondering: het prachtige

‘Vlok, jij bent de traagste.

 Jouw volle neef, de regendruppel,
Valt tweeëntwintig keren sneller
Dan jij. Jij slentert uit de wolken,
Twaalf meter per minuut.’
                                                        Om te eindigen:

 ‘jij moffelt werk dat niet kan wachten weg.

 vlok, jij
Vederlichte averij. ‘

De dichter schrijft in een strak metrum. Daarom veroorzaakt de metrumzucht vaak een een zwakke dictie. Ouderwets, soms archaïsch op het gevaar af om te prekerig te zijn.
Zeker zijn de andere gedichten nogal breedprekerig, zeurderig en slechte poëzie in verhouding tot de eerste objectengedichten.
Deze bundel die een verzamelbundel in tijd, ontstaansgeschiedenis en motivatie is, had zo niet uitgegeven mogen worden. In opdracht dichten gaat Van Istendael niet goed af. Intellectualistische terzijdes in de aantekeningen kunnen niet verhullen dat bijv. wat sonnetten nogal gedateerd en als proeven van bekwaamheid gebracht worden.

Tenslotte: de dichter is zijn stijl, zoals ik al schreef.
Het is triest te moeten lezen dat de dichter grossiert in wijdlopende makkelijk gevonden opsommingen om m.i. te verhullen dat hij niet weet wat hij met het gegeven of de opdracht aanmoet.
Daarnaast is het jammer om te lezen dat Van Istendael prachtig kan schrijven als hij zijn vrijheid neemt. Maar als een dichter pleit voor het primaat van het (zijn) dichterschap, zijn reikwijdte, de noodzaak van de verbeelding, de pracht van taal en alle talen, en dat in verzen neerlegt die juist het tegendeel oproepen en de lezer onthutsen, dan is er met het samenstellen van deze bundel iets fout gegaan.
De uitgave kwam mede tot stand door een werkbeurs van het Vlaams Fonds voor de Letteren. (pagina 5).
Veel van de hier opgenomen gedichten verschenen in één of andere vorm al eerder. Bijna allemaal zijn ze min of meer, soms grondig, gewijzigd voor deze uitgave.’ (Pag. 81.)
Wie in schrijvend/redigerend Vlaanderen bestaat het om zo’n goede dichter-grootvader (de bundel is opgedragen aan zijn kleinkinderen) die anekdotisch/zintuiglijk zo sterk kan dichten, zo aan zijn opgedrongen dwingende publicerende lot over te laten?


ISBN 9789045017372 Paperback 85 blz Uitg. Atlas Amsterdam/Antwerpen september 2010

© Wil Fraikin, 10 december 2010

Lees de reacties op het forum en/of  reageer, klik HIER