Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
F. Starik

 
Recensie over de bundel

Victoria

F. Starik

geschreven door W. Fraikin



Stariks poëziebundel “Victoria” zou ik gekscherend kunnen vergelijken met ‘het gemengde bedrijf’ binnen de poëzie-sector. De opdracht “Voor een paar heel lieve mensen” typeert ook deze best massieve gedichtenbundel: deze bevat 52 gedichten en zes motto’s. In tegenstelling tot de motto’s van R.M. Rilke, K. ’t Hart, A. Verwey, R. Davies, E. Cioran en T. Wierenga, is de bundel zeker ‘lief’: in een directe, amicale, zichzelf bijna verontschuldigende toon praat de dichter tegen de lezer. Hierin is de dichter een schitterende causeur, alleen houdt hij dat niet de hele bundel vol. De bundel eindigt met “Aantekeningen” en een “Verantwoording”. Eerlijkheid siert de dichter: hij wil niet met andermans veren pronken: hij geeft het grif toe.

De dichter heeft de “Aantekeningen” zelf geschreven. Het is bijna een verantwoording van hoe men zijn poëzie moet lezen (hij verklaart de rangschikking van de gedichten onder ‘te bezingen delen’ en haalt en passant nog Reve aan. “Oud worden is klote maar de verwoording hiervan wordt allengs fraaier en enkelvoudiger”.
Op deze Aantekeningen en de Verantwoording kom ik later terug.

Alle drie bladzijden met motto’s hebben van de dichter een titel gekregen: ‘dat is waarom we niet dansen’; ‘wat ons zal overleven’ en ‘het hebben van vele vrienden maar niemand is online’! Het is bittere treurnis in een postmoderne hel: het enige wat blijft is de dichtkunst en het plezier aan het schrijven, dat in elk gedicht herkenbaar is.
De dichter is ook maar een arme woordverbaal begaafde drommel die er het beste van probeert te maken: evenals J.C. Bloem durft Starik de hopeloosheid van het menselijke bestaan en zijn streven weer even onder onze aandacht te brengen.

Als de door Starik gekozen motto’s zijn levensvisie verwoorden, dan is de wereld slechts een schouwtoneel, de mens een acteur die spelen moet, omdat ‘jezelf zijn’ als concept onmogelijk is. Leven is zich vergissen met weinig geloof . Het besef van de treurnis van het leven kan slechts tot fierheid leiden doch Meneer Dood wint op alle fronten. Oeps: hoe ‘supra-postmodern’ moet je tegenwoordig nog zijn?
De bundel opent met het m.i. sterkste en mooiste gedicht: “Victoria”. Het staat vol met ‘a’-klanken en heeft in zich alle troeven van deze bundel verenigd: predestinatie, het grootste ongeluk is de liefde, geluk is verlies en een vrouw vinden is je huis verliezen.
Ondanks dat de dichter schatplichtig is aan Ingmar Heytzes omkeringen en zijn Bloem goed kent, blijkt, na lezing van de “Aantekeningen” dat de pointe ontleend werd aan een Herman Finkers grap.

Victoria “had mijn hart al in haar hand / voordat mijn hart gestolen was./.
Een dichterlijke uitspraak gekoppeld aan een gemeenplaats. Deze charmante bundel staat er stijf van. De dichter kent de gedichten van Willen Jan Otten erg goed.
Het gedicht eindigt met “Te zwaar beladen kwamen / wij eindelijk thuis. Ze belde aan. Ik kon niet / opendoen. Ik moet nog altijd buiten bij haar staan (leuk dubbelzinnig). Zoals het absurdisme van Herman Finkers.
In een onderkoelde, droge spreekstijl met veel binnenrijmen, wars van verbale effecten, schrijft hier een dichter (en dat is hij zeker) exhibitionistisch over ons allen.
Het verschil tussen hoge en lage cultuur speelt niet bij hem, evenals dat pre-postmodern dichten slechts een stijl was binnen stijlen en niet een middel om jezelf te uiten. Alles kan en dat zal de lezer weten ook: zinloze (postmoderne) gedichten, gelegenheidsgedichten, commentaar leverende gedichten en gedichten geschreven bij de dood van bekenden: in deze bundel ‘Draait de Wereld door”: Starik vertrekt steeds vanuit de anecdotiek maar geeft ook toe welke zijn bronnen waren: Google, Herman Finkers, Ilse de Lange, de Sociale Dienst, Van Rooyen/Dekkers, Ted van Lieshout, Gerard den Brabander, Gerrit Achterberg, de Dalai Lama, Frank Boeijen, Adriaan Jaeggi, Pessoa, Monique Orth, de geliefde echtgenote van Pieter Boskma, Hendrik Marsman, het UMC, Ryan Adams, Leo Vroman en Solomon Burke. Het lijkt bijna een verontschuldiging.

Het lijkt een “Verantwoording” zoals een Fonds dat tegenwoordig vraagt.

Kortom de dichter haalt zijn inspiratie uit alles wat in zijn persoonlijke leven, zijn cd-collectie, Internet en tv voorbijkomt. Daar is niets mis mee: maar als je dat achteraf dan wilt groeperen in drie hoofdafdelingen in je bundel onder de kopjes van “liefde, tijd en dood” mis je de dictie om een bundel coherent en dwingend te laten zijn. Dit is samenrapen omwille van een bundel samen te stellen.
Dit is ook mijn grootste bezwaar tegen deze ‘charmante’ bundel: de dichter zet hoog in met zijn eerste gedicht en zakt dan langzaam weg in poëzie waarvan ik mij afvraag of het motief van schrijven wel zo dwingend was. Het is een bundel als los zand: het is de keuvelende toon die alles bij elkaar houdt: Starik heeft duidelijk een eigen stijl. Wat vs. de schrijver niet kan, is niet postmodern!

Het probleem met deze bundel is m.i. dat het openingsgedicht het sterkst is: dit belooft wat. Het tweede gaat over de absurditeit om naast een gestorven kip ook een kapotte stofzuiger te begraven. Sterk openen schept verwachtingen: van deze dichter kunnen de lezers nog veel sterks verwachten.
Alleen dat nivo van dat eerste gedicht houdt de dichter niet de hele bundel vol en dat is jammer. Want zeker kan de dichter emotioneel met zijn absurdisme en parlando ‘raken’: alleen wie niet ingewijd is met alle ups and downs van de Grachtengordel, vraagt zich af wat er toch steeds gebeurt. Daarvoor zijn er die “Aantekeningen” en de “Verantwoording”.
Alleen worden de aantekeningen niet als voetnoten gebracht, maar als essay achteraf.
Als deze dichter alles, zelfs het fisteltje onder zijn linkerooglid, de billen van Byoncee of de incontinente aars van een bekende Zeeuwse dichter tot uitgangspunt of inspiratiebron kan nemen, dan moet hij subliem zijn. Deze poëzie is niet uitmuntend: er is geen taalspel of échte wrangheid door overgevoeligheid: hier is een hele intelligente dichter aan het woord met een goede redacteur bij Nieuw Amsterdam. Dit is kassa!

In de Verantwoording wordt gemeld dat sommige gedichten werden geplaatst in “De Gids” (niet de eerste de beste), “Het Liegend Konijn” wat voor mij een “Humm”is en op de Contrabas en Meander. De dichter lijkt een curve omlaag gemaakt te hebben. Zijn stipendium is terecht gegeven: hier moet nog in alle rust gedicht en gewerkt worden.
“Red ons van het fonds”! zal mogelijk zijn volgende gedicht worden.

Verantwoording:

De dichter doet veel met het kantelen van het voor de hand liggende om tot absurdisme te komen. Hij is wat voorspelbaar in het taalspel. Bij poëzieschrijven moet je altijd een leeg vakje overhouden: hierin excelleert Starik, alleen past hij het niet toe, tenminste niet op een eigen authentieke wijze. Hij weet precies waarmee hij bezig is. Ik zou zeggen: ‘gemaakt’ melig. Veel van zijn gedichten moeten het van één goede zin (met omklappingsmogelijkheid) hebben.
Ik proef teveel een Bloemsfeer, de Heytze-methode en ik voel mij verneukt in een meuk die tot particuliere authentieke poëzie wil komen in een algemene postmoderne visie. De hele bundel lezend kreeg ik steeds meer een voorstelling van een uitgewerkt pamflet over zieligheid De gedichten nemen deze zieligheid tot onderwerp In een stijl die door andere dichters al is getoonzet verexcuseert de dichter zichzelf nog eens door middel van  specifieke aantekeningen over deze gedichten en een bewijsvoerende “Veranwoording”.

Ondanks dat de bundel een paar prachtige gedichten bezit en in andere gedichten tot absurdistische poëtische zinnen komt, blijf ik met een gevoel zitten: waarom werd deze bundel uitgegeven? Een prachtig vormgegeven bundel, maar dat is een vlag.
Is de voorwaarde voor het lezen van goede poëzie een obscuur gedichten-c.v., een fondsnominatie, een niet mis te verstane uitgeverij en een hoog zelfetalerend zieligheidsgehalte in alle gedichten?

Beste lezer: gaat U naar de betere boekhandel: neem de bundel en lees de eerste twee gedichten en blader en lees dan diagonaal (zoals de dichter dicht) verder: beding dan wel bij de kassa een korting: zeg dat de dichter dat ook (gespiegeld) wil. Dit is bijstandspoëzie op het zielige scherp van de postmoderne snede: LIEFDE, TIJD en DOOD.
Ik sta paf: waar haalt die “ik”, die “hij” met zichzelf, zijn ghostwriter als manager en de “back-up” van uitgeverij Nieuw Amsterdam het vandaan?
De uitgeverij met de dichter onder de geldlade, zouden hem eens de volgende dichters mogen aanreiken (alles is inspiratie, toch?): Albert Bobeldijk, Julian Barnes, Joan Didion, W.F. Hermans, BNN en het Ministerie voor Poëtische achteraffe woordverkalking.
Lieve mensen: koop deze lieve bundel. Redt Uw persoonlijke lemming!

ISBN: 978 90 468 0682 1 Paperback, 80 pagina's uitgeverij Nieuw Amsterdam, november 2009

W. Fraikin, april 2010

Zie ook  http://www.starik.nl/victoria


Reageren? Mail naar Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.