Zomaar op een zomernacht

 

ach tevergeefs de slaap betrachtend -
(hoor, hoe troostend
is het tikken van de
zomerregen op het
raam in lood
en in het geluid van
wind
in bladerrijke bomen) -
denk ik: o wat dacht ik
toen de zomerstormen mij
nieuwsgierig
en verschrikt
door 't witte huis
zonder gordijnen deden dwalen
en de muren
witgekalkt nog
witter waren door de bliksem.
wanneer zullen de muggen komen
en zich wreken voor de rode vlekken
bloed, zo talrijk op de muur na
onze muggenjacht met kussens
dacht ik, en stelde me de
donder voor: een oude man
die dorstig in de kelder doolde
rammelend met bakken bier.
ik weet het nog
hij leek op onze tuinman.
ach tevergeefs de slaap betrachtend -
(hoor, hoe troostend
is het tikken van de
zomerregen op het
raam in lood
en in het geluid van
wind
in bladerrijke bomen) -
denk ik: o wat dacht ik
toen de zomerstormen mij
nieuwsgierig
en verschrikt
door 't witte huis
zonder gordijnen deden dwalen
en de muren
witgekalkt nog
witter waren door de bliksem.
wanneer zullen de muggen komen
en zich wreken voor de rode vlekken
bloed, zo talrijk op de muur na
onze muggenjacht met kussens
dacht ik, en stelde me de
donder voor: een oude man
die dorstig in de kelder doolde
rammelend met bakken bier.
ik weet het nog
hij leek op onze tuinman.

 

Patricia Lasoen
uit: nieuw-realistische poëzie
in Vlaanderen, Lionel Deflo, Orion 1972