waarop de lucht vol luchtigheid is,
lentewind plagerig achterom sluipt,
van zoveel niet benoembaars bol staat,
Parijs vlakbij is, Granada om de hoek.
Zo'n dag,
waarop het frisgerokte meisje
van de buren hoog moet reiken
naar knoppen in hun kersenboom,
wind de verleiding niet weerstaat.
Zo'n dag,
waarop ik gebukt mijn tuin spit,
op harde resten winter stuit,
ijs vind in verborgen hoeken,
wat was toegedekt weer bloot leg.
© Atze van Wieren
Opgenomen in de
'Dagkalender van de Nederlandse en
Vlaamse Poëzie'
Samensteller Hans Warren, Uitg. Meulenhoff