Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte
Gedichten over kleur
Gedichten over kleur

 
Kleuren

 

Rood
Het terras lag soms blank van het water
en in mijn herinnering steeds
blinkend rood
maar in waarheid vaak bemost.

Roze
De bleekroze bloemen op oma’s servies
ik kneep er uit een tube hardvochtig mayonaise op.
Het behang van de kamer van de meid.
Het gezicht van mijn lievelingspop
Die brak toen ik zes werd.

Oranje
Een sinaasappel
voor de eerste fruitpap van mijn oudste zoontje
in het oranje bord
In de koralen kinderkamer
zijn pril protest

Geel
Een lepel in een ei
de dooier loopt over de witte
porseleinen rand

Groen
De muntdrank met ijs die mijn moeder bracht
omdat ik hard studeerde
De ogen van mijn eerste lief
het kroos van de vijver waarin mv verdronk

Blauw
Kobaltblauw de flessen op de schoorsteenmantel
en de mantel van het oud mariabeeld
de kristallen voor het raam
en de lucht na regen in april

Violet
Een zeldzame kleur in mijn kindertijd
de zijden bloeze in de kast op zolder
En het eerste rouwlint die ik zag
paars met goud rond witte lelies

Zwart
Zwart heeft vele tinten
diep en vaal en dof en schitterend en blinkend
Het zwartst is het zwart met mijn ogen
dicht voor ik slaap

Patricia Lasoen
Uit???

 
Rood en blauw

 

Hoe groot kan een verlangen groeien
opdat het niet sterft
van honger of van dorst
onder een onverschillige hemel?

Nog hangen er flarden licht in de lucht
vreemde vormen, transfiguraties
en een duizeling van blauw
overrompeld door het rood

- onaangetast nog?

© Germain Droogenbroodt
uit: Tegenlicht
Point nr. 66

 
De zee één blauwe weide

 

De zee één blauwe weide,
Groenbleek maar zonder gras,
En in dat eindloos wijde
Eén witte golf - of het gebloemte was.

Herman Gorter
uit: De dag gaat open als een gouden roos,
Uitgeverij Ooievaar, Amsterdam 2000

 

 
Kleinood

Toen eens die groote schilder
De wereld verven zou,
Klom hij eerst in den hemel-
Den hemel maakte hij blauw

Drie droppels liet hij vallen
Beneden op de aard,-
Drie mooie kleine dingen
Zijn daar altijd bewaard:

De eerste viel in ‘t koren,
Dat werd een korenbloem,
Die bloeit in ‘t blauw naar boven,
Dat is haar groote roem

De tweede viel in ‘t heikruid,
Dat werd een heikapel,
Die vliegt altijd naar boven
Veel hooger wou ze wel

De derde ging verloren,
Men wist naar ze was,-
Mijn liefste- o mijn blijde meid!
Mijn mooie kleine bruid!

Ik leid jou naar de heide,
Dan door het korenland—
Leid jij mij naar de hemel,
Leid jij mij bij de hand

C.S. Adema van Scheltema
Uit: Van Zon en Zomer
Uitgever: Amsterdam 1902

   
Rhapsody in blue
(fragment)

o blauw water
op het zenit
van mijn ogen
de piano schept een duivels genoegen
in haar duivels ritme
the man i love
is daar
o man
o porgy
porgy and bess
de pianist is plots zijn handen kwijt
daarom speelt hij met zijn tong
op het klavier
van zijn tanden
rhapsody
so blue
inderdaad
zo angstig blauw
als de dauw
aan de wimpers
van
george gershwin
hij warmt in armoe zijn handen
aan de hete klanken
van summertime

Willem M. Roggeman
uit: Gedichten 57/70,
Standaard Uitgeverij,
Antwerpen/Nijgh & Van Ditmaar,
Rotterdam, 1972

 
De zee is lelieblank

 

De zee is lelieblank,
De zee is leliegroen,
Zij spiegelt zich blauwgroen,
En ruist iederen klank.

Herman Gorter (1864-1927)

 
Een tocht in de kleurenwereld

 

Ik schilder de honden blauw
de vogels worden groen
ik zet ze in rode bomen
in het zwarte bos

Het hoofd van mijn vriend kleur ik geel
nee het is geen chinees, want die worden purper
als ze paarse rijst eten
onder de grijze zon

Ik zie een  regenboogkikker
in de goudensneeuw springen
ik kus hem op de zilveren kop
daar is mijn mooie kleurenprinces.

Tom van Dam,
uit ik schilder de honden blauw,
uitgeverij De Stiel/Ago
Nijmegen/Diemen 2000

 

 
Drie jongleerballen, vier kleuren

Drie jongleerballen, vier kleuren
van zachtgeschilderde huid.
Een, twee, drie. Een, twee, drie, vier.
Groen, geel, blauw, rood.

Zomerochtend; poes rust op't balkon
zich een zwart roodstaartje voorstellend.
Maar het ziekenhuis om de hoek is nog onder.
En in Park Randenbroek spelen sportparen
winteravondtennis, stoomwolkjes lachend.
Drie-, vierhonderd meter is het maar
van hier tot helemaal daar.

De gebruiksaanwijzing beweert:
'En u jongleert. Gefeliciteerd!'

Mijn broer is in Australië. Geëmigreerd.

Tonnus Oosterhoff
uit: (Robuuste tongwerken,) een stralend plenum,
De Bezige Bij, Amsterdam, 1997

 
Van der kleuren

De zon begint de plaatjes weer te lezen
op de deuren,
glimlacht om de namen naar hun wezen
en fluistert: hier is er geen.
Maar hier woont Van der Kleuren
en die is nooit alleen.
Doopt hij de kleuren in het water
zij worden nimf en hij is sater.
Houdt hij de kleuren naar het licht,
‘Kets’ zegt de vonk en wordt gedicht.
En slaapt die kleurenzuchtige man?
Van kleuren zonder kleren droomt hij dan!

Pierre Kemp
uit: Tirade 200, jaargang 1974,
Van Oorschot, 1974

 
Najaar

Voel hoe het paard
zich schurkt aan de paal
naast het zwart dat ik
uitwis en volkras

ook het veld is doordrenkt
van een zwart dat zilt
van de grond en van
inkt is

van ranzig paars
een smaak in het bezinksel
van de lucht
bewaard

Roland Jooris
uit: Uithoek,
Poëziecentrum, Gent 1991

Ingezonden door Tiba.