Boterblômmetje.
Ik moet u toch 'reis roemen,
Mijn kleine boterblôm!
Al keken de andre bloemen
Daar nog zoo knorrig om;
Gij staat zoo glinstrend in het hout,
Alsof ge waart van klinkklaar goud.
De bloempjes in de potten,
De bloempjes in de kast,
Die hebben mak'lijk spotten,
Zij worden opgepast;
Gij staat in alle wind en weêr
En groeit en bloeit toch evenzeer.
Ik kon wel van u leeren,
Heeft Vader mij gezeîd:
Meer dan de mooiste kleêren
Siert ons tevredenheid; -
Zoodat een arm en dankbaar kind
Verdient, dat men het dubbel mint!
J.P. Heije
Uit: Al die kinderliederen 1861