Poëzie-Leestafel

...

  • Vergroot lettergrootte
  • Standaard lettergrootte
  • Verklein lettergrootte
Jan Kleefstra

 

Recensie over de bundel

Melk druppen

Jan Kleefstra

geschreven door Karel Wasch





Op de achterflap van deze bundel gedichten van Jan Kleefstra (1964) valt o.a. te lezen:

 

'Schrijven zoals Mark Rothko schildert.'(...)

Een gewaagde zin, waarvan de lezer zich zou kunnen afvragen of dit dan gaat lukken. Immers Rothko (1903-1970) is de schilder, die ervoor zorgt, dat de toeschouwer - in zijn geval de kijker - door het werk naar binnen wordt getrokken. In zijn eigen binnenwereld belandt. In Den Haag is nog tot 1 maart 2015, een tentoonstelling over het werk van Rothko en de meeste mensen nemen langdurig, vredig, bijna sereen, meditatief, plaats voor de doeken. Zou Jan Kleefstra ons in een dergelijke euforische staat kunnen brengen? Of is ieder goed gedicht sowieso een mysterie?

De bundel is in een aantal hoofdstukken opgedeeld: Wintervelden, Voortdraven, Winterzee en Voortschrijven.
In Wintervelden staan een paar korte aforismen, die het hoofdstukje inleiden. Bijvoorbeeld:

Ik had in de prachtige rust van een open veld
kunnen wachten tot de zon mij zou verblinden


Daar gaan we al, de buitenwereld van het veld tegenover de voorstelling van een verblindende zon, die er nog niet is. Eigenlijk de angst dat het
mooie ogenblik van verwondering, doorbroken zou kunnen worden, door een uiterlijke ervaring. En verderop in dit eerste gedeelte:

Waar anders komt de wind vandaan

die met de verleiding speelt

als de eerste gedachte misschien

of anders de belofte dat winter
zonder vorst ook wel zal overleven


Geen simpele poëzie, meer een vers dat raadselachtig de gedachte (opnieuw-) vermengt met de waarneming. Zal het gaan vriezen? Daar zou de argeloze lezer aan kunnen denken, maar de wind, die verleidt dat is ronduit raadselachtig. Kunnen we aan de wind proeven wat voor weer het zal worden? Kleefstra is een natuurmens, hij telt vogels en is vaak bij weer en ontij in de natuur te vinden, alleen liefst en dat betaalt zich uit. Maar we kunnen de zaak in dit vers ook vanuit de verleiding bezien. Geven we er aan toe of blijven we erbuiten?

Het volgende vers begint met de prachtige regels:

Een ochtend trager dan anders

over besneeuwde velden en
stof op de boeken (...)


De ochtend als een wezen dat zijn traagheid oplegt aan de besneeuwde velden. Maar dus - binnen - aan met stof bedekte boeken. De boeken, die we wilden lezen, maar die zijn blijven liggen en onze traagheid accentueren.

In het 5e gedicht uit Wintervelden wordt de angst neergezet en duikt de melk op uit de titel van de bundel.

Waar blijft je schaduw 's nachts

als je uit de lucht gevallen nederig
je stoel zet waar niemand durft te zitten

melk morst in een waanzinnig oog (...)

Melk als een beeld voor onschuld, het waanzinnig oog, het beeld voor angst. De hoofdpersoon zet zijn stoel neer, waar niemand durft te zitten. Prachtig, zoals dat laatste speels, terloops wordt gezegd. Kennen we dat gevoel niet allemaal? Ergens gaan zitten waar we ons 'unheimlich' voelen? Waarom doen we dat soms toch, als een soort bezwering? En dat is ook het knappe van Kleefstra's poëzie, hij laat de lezer vrij er iets mee te doen. Hij is zelf nauwelijks aanwezig in zijn prentenboek!

De verzen uit de kleine cyclus Voortdraven zijn het verslag van een mens, die wordt voortgejakkerd door de tijd, zijn onzekerheden, zijn gevoel etc.

Het blijft niet bij verlaten landerijen

achter de ogen redt het zich niet met honger alleen

ik zwijg een berk na
wikkel het hoofd in stormwind


Vier versregels waarin veel, erg veel wordt gezegd, de landerijen zijn verlaten, een herfsttafereel, door aan hongergevoel te denken kan de hoofdpersoon zich niet aan het barre weer onttrekken. Uiteindelijk geeft hij zich over, gaat voort letterlijk en wikkelt zijn hoofd in stormwind. Anders gezegd: Hij accepteert, de wind, de kou, en geniet er bijna van.

In Winterzee

Ooit was er de volmaakte natuur
in de geest die zich tegen
de mens heeft verzet

De magere handen die
zich verbeeldden het begin
van de trek te kunnen dragen


Weer de mens tegenover de natuur. De onderwerping van de natuur aan de mens, de ongerepte en dus volgens Kleefstra ongerepte natuur.
Maar in de tweede strofe evenzo een machteloze mens- let op de magere handen- die zoiets magisch, als de vogeltrek letterlijk niet in de hand heeft. We kunnen verkavelen, beteugelen, slopen maar zullen nooit de baas worden over diezelfde natuur.

We zijn aangekomen bij Voortschrijven en Kleefstra stelt de everlasting question, de vraag die we nooit kunnen beantwoorden:

Sinds wanneer schrijf je traagheid aan je sterven toe?

De tijd staat stil, we kunnen niet verder voortjagen, moeten we ons niet al in dit leven overgeven aan die rust, contemplatie. Ervan genieten? Erin berusten?

Helaas zijn we na deze trits prachtige verzen in deze cyclus aangekomen bij het eind van deze bundel. Zonde, want Kleefstra heeft veel te vertellen en slaagt erin een prachtige eigen stem te laten horen, spelend met taal. Jonglerend met woorden, diepzinnig ingehouden en virtuoos. Waarschijnlijk nu al de mooiste bundel van 2015!

Jan Kleefstra (1964) geboren in Akkrum maakt ook muziek met zijn broer Romke Kleefstra en heeft in het Fries gedicht.


ISBN: 9789461535924 paperback, 55 pagina's Uitgeverij Aspekt december 2014

© Karel Wasch, 19 januari 2015

Lees de reacties op het forum en/of reageer, klik HIER

 


Pagina 2 van 2

Zoeken

Recensies